Mijn hoofd is een huis zonder sloten.
Niet omdat ik dat wil, maar omdat ik ze nooit heb gekregen. Ik had ze nooit nodig.
In het begin viel het niet op. De deuren gingen dicht, dat leek genoeg.
Het gevoel van veiligheid zat stevig verankerd in mezelf.
Een kier was maar een kier.
Iedereen heeft wel eens wat last van tocht.
Soms was er iets verplaatst.
Een schaduw net even wat anders, een gedachte die ik daar niet had achtergelaten.
Ik haalde mijn schouders op.
Huizen horen te leven, vertelde ik mezelf.
En toen kwam hij.
Hij kwam niet binnen.
Hij bleef altijd net aan de andere kant.
Maar hij liet weten dat hij daar stond.
Dag en nacht.
Niet te zien, maar duidelijk voelbaar.
De schaduw die niet van mij was.
In zijn berichten liet hij vingerafdrukken achter: woorden die ik al had gelezen voordat ze verschenen. Beelden die zich aan mijn netvlies hechtten.
In mijn leven ging hij zitten als een te grote jas over een stoel die eigenlijk bezet was.
Het irriteerde, maar was niet erg genoeg om kenbaar te maken.
Ik meed gewoon de plekken waar hij kon zijn.
’s Nachts lag ik wakker en luisterde. Niet naar hoorbare stappen, maar naar het idee daarvan in mijn hoofd.
Soms twijfel ik: misschien heb ik zelf een deur open laten staan. In mijn woorden, in betrokkenheid, in wie ik ben.
Ik ga het langs in mijn gedachten:
dat ene antwoord,
dat moment waarop ik niets zei,
die keer dat ik dacht dat ik duidelijk genoeg was.
Ik weet dat een huis zonder sloten geen uitnodiging is om zonder kloppen binnen te komen.
Ik weet dat betrokkenheid geen schuld is.
En toch blijf ik zoeken naar het moment waarop ik had moeten zeggen: tot hier en niet verder!
Ik denk niet dat hij me iets zal aandoen.
Dat herhaal ik vaak. Te vaak.
Zoals je keer op keer een raam dichtduwt dat niet op slot kan en blijft klepperen als de wind er vat op krijgt.
Het échte gevaar zit niet in zijn handen.
Het zit in mijn eigen hoofd, waar hij zich heeft genesteld alsof hij daar altijd al woonde.
De plek waar ik voorbereid ben op alles waarvan ik hoop dat het nooit zal gebeuren.
Toen hij werd opgesloten werd het rustiger in huis.
De deuren bleven hetzelfde, klapperden even niet. De wind bleef buiten en de zon kwam binnen.
Ik durfde weer door de kamers te lopen en ramen te openen.
Mijn gedachten mochten zich verspreiden.
Mijn schaduw was weer van mezelf.
Maar rust is vreemd als je weet dat het weer anders zal worden. Het voelt als een logeerbed: je ligt erin en slaapt prima, maar je blijft voelen dat het niet van jou is.
Soms sijpelt er informatie binnen.
Niet eens veel. Een zin. Een naam.
Een datum die te dichtbij komt.
Dan ben ik weer dagen van de kaart.
Niet omdat er daadwerkelijk iets gebeurt, maar omdat alles weer mogelijk wordt.
Zelfs opgesloten, is hij constant aanwezig.
Niet omdat hij hier is, maar omdat ik nooit meer zeker weet wanneer hij dat weer wél zal zijn.
Reactie plaatsen
Reacties