Ik lees de reacties onder het bericht over twee doodgeschoten jongens uit een azc, tegen beter weten in, en voel het in mijn lijf.
De hardheid. De woede. De achteloosheid waarmee over deze jongens wordt gesproken:
‘Weer twee minder, mooi zo.’
‘Weer twee uitkering die we kunnen stopzetten. Top!’
‘Nu de rest nog.’
Ik krijg een brok in mijn keel.
Ik wil reageren, tegenwicht bieden. Laten zien, al weet ik niet goed aan wie precies, dat er mensen zijn die anders denken.
En toch aarzel ik voordat ik reageer.
Want wat gebeurt er als je je uitspreekt tussen mensen die zo hard schreeuwen?
Wat roept dat op?
Maar wat als iedereen zo denkt, als iedereen zijn mond houdt, dan krijgen de schreeuwers steeds meer de overhand.
Is dat wat we willen?
Ook ik weet niet wat er precies is gebeurd.
Ik weet niet wie die jongens waren.
Misschien waren het inderdaad geen lieverdjes. Dat kan. Dat ontken ik absoluut niet. Ik ben niet naïef, heb gezien, gehoord en ervaren wat er in de wereld rondloopt.
Maar wat ik wél weet, is dat ze zestien en achttien waren. Mensen, jongeren met een leven voor zich.
Dat er families zijn die vandaag wakker worden in een werkelijkheid die nooit meer normaal wordt.
En dat het mij enorm tegenstaat om dat moment te gebruiken om met haat te strooien tegen iedereen met een andere afkomst en je hart zo koud te laten worden als de temperatuur buiten op dit moment.
Het verbaast me hoe snel empathie verdwijnt zodra afkomst verschijnt.
Reageren voelt als iets zachtjes zeggen in een ruimte waar keihard geschreeuwd wordt, waar niemand je hoort.
Toch doe ik het.
Niet omdat ik alles weet.
Niet omdat ik aandacht wil of iedereen wil overtuigen (al zou dat laatste wel mooi zijn 😉).
Ik reageer en spreek me uit, om de heel simpele redenen:
Ik wil niet zwijgen!
Reactie plaatsen
Reacties